Afgesloten
In het kader van de grote degitalisatie (degitalisering?), waarover ik hier al schreef, stop ik met het onderhouden van dit en andere blogs.
Dank en tot ziens!
In het kader van de grote degitalisatie (degitalisering?), waarover ik hier al schreef, stop ik met het onderhouden van dit en andere blogs.
Dank en tot ziens!
Ten Hooven schetst in zijn stuk (met als subtitel, Het onbehagen van Maxime Verhagen) de teloorgang van de befaamde Nederlandse tolerantie. Nederland dreigt volgens hem een onaangenaam, benauwend land te worden. Ik zou het volkomen met hem eens geweest zijn, ware het niet dat Nederland volgens mij al langer aan die kwalificaties voldoet.
Een niet onbelangrijk onderdeel van die ontwikkeling is volgens mij Balkenendes ‘Normen en Waarden!’ geweest. Op zichzelf was dat een nietszeggende opmerking - ooit als politiek statement geïntroduceerd door de onvolprezen Herman Heinsbroek - waarvan hij volgens mij zelf niet eens precies wist wat hij ermee bedoelde, anders dan wellicht ‘die V.O.C. mentaliteit’. Het maakte onwillekeurig toch iets los, een soort jaren-vijftig stemming maakte zich van een groot deel der Nederlandse bevolking meester; van ‘ons kent ons’ en ‘doe maar gewoon’, Hete bliksem. Daar Balkenende schier onvermoeibaar bleek in zijn gehamer op ‘Normen en Waarden!’, kon niemand er op den duur nog omheen. (Ik heb in 2006, toen het me echt de strot uitkwam zelfs gemeend er een liedje over te moeten maken … opgenomen in mijn badkamer)
Balkenende versterkte daarmee het gevoelde gelijk van een grote groep Nederlanders wiens lang genegeerde maar deels terechte onvrede met het immigrantenbeleid zichtbaar was gemaakt door Pim Fortuyn. Wat volgde waren canons, discussies over allochtonen, over heropvoedingsgestichten, over ‘de Nederlandse identiteit’, politiek die nóg dichter bij de mensen moest, kortom, een in zichzelf gekeerde bevolking die nieuwkomers uitsluit en alleen nog maar wild om zich heen roept en schreeuwt, daarbij internationale ontwikkelingen en de omstandigheid dat Nederland politiek en als handelspartner steeds minder serieus genomen wordt uit het oog verliezend.
De politiek staat intussen niet meer dicht bij maar gewoon tussen het volk, zodat overzicht en leiderschap niet ontwikkeld kunnen. Zelfs intellectuelen lijken zich tot gangmakers van het populisme te hebben ontwikkeld. Van die kant verneemt men niet veel meer dan het obligate belachelijk maken van gelovigen en onophoudelijk gediscussieer over de vrijheid van meningsuiting. Dat dat op zichzelf ooit tot zinnige discussies heeft geleid maar dat het inmiddels reeds lang gepasseerde stations zijn lijken ze niet te beseffen of te willen beseffen.
Ik woon sinds enige jaren in Duitsland. Hier denkt men nog steeds over Nederland als dat leuke, liberale landje waar zo veel kan en waar men zo tolerant is. Wanneer ik ze vervolgens vertel over (bijvoorbeeld) een Rotterdamse gemeentewet die het verbiedt in parken op dekens en/of handdoeken te liggen, groter dan 2,5 vierkante meter en dat die regel ook nog eens navolging geniet, vallen her en der de stukken Bratwurst uit de mond van verbazing. Die verbazing bevalt mij een stuk minder dan die, die men vroeger in het buitenland als reactie kreeg op de uitleg van het Nederlandse drugsbeleid.
Heb laatst lang mijn voeten geobserveerd, tijdens een wandeling. Fascinerend om te zien hoe eerst de één en dan de ander. Dat ritme. En hoe de ondergrond ook telkens anders is.
Meeslepend.
Tot je ergens tegenaan loopt, natuurlijk.
Karl Marx
Dit is wat er lijkt te gebeuren in Duitsland.
Het boeddhisme van David Lynch
(en hoe zijn guru Maharishi Mahesh slechts de boekhouder van de echte yogi bleek)
David wants to fly, een film van David Sieveking
Er bestaat geen duidelijke definitie van kunst. We weten niet precies wat het is maar hebben er vaak wel een idee van. Laten we er voor het gemak eens vanuit gaan dat kunst iets buitengewoons betreft en dat dat buitengewone gevat kan zijn in een object, een compositie, in een idee, een geluid, een klank, kleur of beschrijving, in een observatie. Daarnaast moet er (voor mij) sprake zijn van opzet. De uiting moet opzettelijk en door mensen gemaakt zijn - wat natuurlijk niet wegneemt dat het ‘buitengewone’ in iets heel anders kan liggen dan de kunstenaar had gedacht.
Dan is er nog zoiets als relevantie; staat het werk in een bepaalde stroming, traditie en wat voor plaats neemt het daar dan in. Laten we zeggen dat dat te maken heeft met de voorkennis van degene die met een werk wordt geconfronteerd, met zijn kennis van de geschiedenis van de kunsten. Relevantie valt juist daarom (vanwege die voorkennis) te objectiveren, wat de mogelijkheid opent kunstwerken te ordenen naar belangrijkheid. Die belangrijkheid is echter vaak ook afhankelijk van maatschappelijke relevantie. Maar daarover kan men bij nieuwe kunst nog weinig zeggen, al was het maar omdat het moeilijk is analytisch onderbouwde uitspraken te doen over dat waar men middenin staat.
En dan is er nog een vierde aspect: geld. Als belangrijke verzamelaars je werk hebben ontdekt en er veel geld aan uitgeven, dan blijk je kunst te maken en ben je dus kunstenaar. Op dat moment kunnen zelfs andere componenten van mijn beschrijving van kunst overbodig raken.
Met schoonheid heeft kunst - voor mij - niets te maken, althans niet a priori. Wat dus niet betekent dat kunst niet mooi gevonden zou kunnen worden.
De staat subsidieert het ontstaan van kunst. Ze doet dit waarschijnlijk omdat kunstwerken licht op de wereld om ons heen werpen, ander licht dan het gebruikelijke (buitengewoon) of dieper. Kunst nodigt de waarnemer daarmee uit over zaken na te denken, zaken anders te zien dan gebruikelijk. Daarmee kan hij zijn blik op de realiteit van alledag verruimen, verdiepen. De staat subsidieert kunst niet om er aan te verdienen, of om ander economisch nut. Dat kan ook niet omdat de relevantie op het moment van het ontstaan van kunst nog niet duidelijk is. Zou de staat dat wél doen, dan subsidieert ze handel (in kunst).
Een andere, meer politiek economische overweging die meeweegt in de beslissing om de kunsten te subsidiëren, is de prestige die een florerende, nationale kunstscene internationaal oplevert; aanzien, allure, grandeur.
Dit alles maakt het toewijzen van subsidies tamelijk complex. Je geeft mensen geld om iets te maken waarvan je nog niet echt kunt zeggen of het goed is of niet. Misschien blijkt het later wel troep, kitsch, geneuzel of gefröbel. Kunstenaars zelf helpen ook niet direct mee door de grenzen tussen hoge en lage kunst te laten vervagen. Een vloer van adynamische pindakaas bijvoorbeeld is een leuk idee maar borduurt voort op een kunststroming die ooit begon bij en met Duchamp en zijn pissoir. Je kunt je afvragen wat de relevantie ervan is in de eenentwintigste eeuw.
Het is deze complexiteit die nu door populisten wordt aangegrepen om korte metten te maken met kunstsubsidies. Zelf moet ik bij dit onderwerp vaak denken aan NatLab van Philips. Daar werd met behulp van welhaast onbeperkte budgetten onafhankelijk onderzoek verricht. Juist de grote onderzoeksvrijheid, de beschikbare stromen geld en de best mogelijke voorzieningen hebben grootse vindingen voortgebracht, waaronder - zoals bekend mag worden verondersteld - de Compact Disc.
Iedere maatschappij heeft zijn NatLab nodig, waar in alle vrijheid geëxperimenteerd kan worden met betekenissen, met beelden, geluiden, met taal. Niet omdat er direct een meetbaar nut aan verbonden is maar omdat het laat horen en zien wie we zijn, waar we zijn en waar we naar op weg zijn.
Quote in de titel: Dick Tuinder
Ik weet niet of hij in Nederland bekend is, of hij überhaupt gespeeld wordt op de radio. Hier, in Duitsland hoor je hem af en toe. En dat zijn telkens weer mooie momenten. PeterLicht.